Nederlandse stichting ter bevordering van onderzoek naar NBIA en de

ondersteuning van patiënten

PLAN

 

PLAN (ook wel PLA2G6-geassocieerde neurodegeneratie genoemd) is vernoemd naar het defecte gen in patiënten: PLA2G6 . Dit gen wordt gezien als zijnde belangrijk bij het helpen van cellen om een gezond membraan (buitenste laag van cellen) te behouden. PLA2G6 is bovendien betrokken bij vet (lipiden) metabolisme. Momenteel is nog onbekend hoe de veranderingen in dit gen leiden tot de symptomen van PLAN of tot hoge ijzergehaltes in de hersenen van sommige patiënten.

 

PLAN erft autosomaal recessief over. Dit betekent dat wanneer beide ouders drager zijn van het aangedane gen, elk kind 25% kans heeft op het krijgen van de ziekte, 50% kans heeft om alleen drager zijn (maar verder wel gezond) en 25% kans heeft om gezond te zijn en geen drager.

 

PLAN bestaat uit drie verschillende vormen die elk hun eigen kenmerken hebben, te weten INAD (infantiele Neuroaxonale Dystrofie), NAD (atypische neuroaxonale dystrofie), die zich een paar jaar later dan INAD openbaart, en een volwassen vorm van dystonie-parkinsonisme die zich openbaart in het tweede tot derde decennium van het leven.

 

INAD

Klassieke INAD begint al vroeg in het leven en vordert snel. De ziekte openbaart zich meestal als het kind tussen de 6 maanden en 3 jaar oud is. De eerste tekenen zijn vaak vertragingen in het ontwikkelen van vaardigheden, zoals lopen en praten. Kinderen kunnen onhandig overkomen of hebben vanaf het begin een lage spierspanning (hypotonie) dat vooral in de armen en benen verandert in stijfheid (spasticiteit) als ze ouder worden. Oogziekten die veroorzaakt worden door degeneratie van de oogzenuw (optische atrofie) worden vaak later opgemerkt en dit kan leiden tot slecht zien en uiteindelijk blindheid. Epileptische aanvallen en snelle ritmes gemeten met een EEG kunnen ook voorkomen.

Er treedt een verlies van cognitieve mogelijkheden op, en veel getroffen kinderen leren nooit om te lopen of ze verliezen dit vermogen al heel vroeg. Veel getroffen kinderen worden niet ouder dan 10 jaar, maar sommige kunnen overleven tot in hun tienerjaren of later. Ondersteunende zorg kan bijdragen aan een langere levensduur doordat het risico van infecties en andere complicaties hiermee verkleint wordt.

 

Klinische diagnose

Een MRI van de hersenen en een oogonderzoek zijn de sleutels tot het diagnosticeren van INAD. Naast een verlies van motorische vaardigheden, heeft de patiënt ook last van cerebellaire atrofie, strabismus (scheelzien) en nystagmus (snelle onwillekeurige oogbewegingen). Abnormaliteiten in axonen (een deel van de zenuwcellen), die sferoïde lichamen genoemd worden, kunnen bij een biopsie worden gezien maar mogelijk alleen als de ziekte al verder gevorderd is omdat deze accumuleren met de leeftijd.

 

Behandeling

Er worden medicijnen gegeven om de spasticiteit en epileptische aanvallen te behandelen. Fiber supplementen en /of ontlasting weekmakers worden gebruikt voor de behandeling van constipatie. Een transdermale scopolamine pleister kan helpen met de mondafscheidingen. Aanpassingen aan de voeding zoals zachtere voedingsmiddelen of sondevoeding kan nodig zijn om aspiratie pneumonie te voorkomen en het bereiken van voldoende voeding.

 

NAD

NAD begint meestal in de vroege jeugd maar kan uitlopen tot het eind van het tweede decennium. Het heeft een tragere progressie en een andere variëteit van bewegingsproblemen dan INAD. In het begin kunnen de kinderen vertragingen in het spreken hebben of vertonen zij kenmerken die lijken op autisme. Uiteindelijk ontwikkelen de kinderen problemen met het bewegen en hebben zij meestal dystonie. Gedragsveranderingen zoals impulsiviteit, korte aandachtsspanne, of depressiviteit komen vaak voor en kunnen behandeling van een arts vereisen.

 

Klinische diagnose

Bepaalde MRI’s (T2-gewogen beelden) die een hypo-intense globus pallidus aantonen,  welke  ijzerstapeling indiceert en een oogonderzoek zijn de sleutels om de sterke klinische kenmerken van NAD vast te stellen.

Overheersende kenmerken van NAD worden duidelijk ​​voor de leeftijd van 20, deze kenmerken zijn o.a: psychomotorische regressie (dwz verlies van eerder verworven competenties), taalproblemen, autistisch gedrag, cerebellaire atrofie, optische atrofie, progressieve dystonie en dysartrie (moeite met het uitspreken van woorden). Net als bij INAD laten biopsies bewijs zien van abnormaliteiten in axonen die sferoïde lichamen genoemd worden.

Andere gemeenschappelijke kenmerken zijn psychiatrische en gedragsafwijkingen, spasticiteit, gezamenlijke contracturen, toevallen, en nystagmus (snelle onwillekeurige oogbewegingen).

 

Behandeling

Medicijnen worden gegeven voor de behandeling van spasticiteit en epileptische aanvallen. Voor dystonie samen met atypische INAD kan orale of intrathecale baclofen worden geprobeerd. Behandeling door een psychiater is geïndiceerd voor diegenen met later optredende neuropsychiatrische (psychische stoornis door ziekten van het zenuwstelsel) symptomen. Fiber supplementen en/of ontlasting weekmakers worden gebruikt voor de behandeling van constipatie. Een transdermale scopolamine pleister kan helpen bij mondafscheidingen. Aanpassingen in de voeding, zoals zachtere voedingsmiddelen of sondevoeding kunnen nodig zijn om aspiratie pneumonie te voorkomen en het krijgen van voldoende voeding.

 

PLA2G6-gerelateerde dystonie-parkinsonisme

Het begin van PLA2G6-gerelateerde dystonie-parkinsonisme varieert van de kindertijd tot het tweede of derde decennium van het leven. Patiënten met PLA2G6-gerelateerde dystonie-parkinsonisme ervaren dystonie, afwijkende oogbeweging, traagheid, slecht evenwicht, stijfheid en gemarkeerde cognitieve achteruitgang.

 

Klinische diagnose

Abnormale ijzerstapeling in de globus pallidus, substantia nigra en/of striatum varieert van patiënt tot patiënt en kan mogelijk niet op een MRI waarneembaar zijn totdat de ziekte ver gevorderd is.

De belangrijkste kenmerken zijn variabiliteit in moment van openbaring liggend tussen kindertijd tot in volwassenheid, parkinsonisme (tremor, bradykinesia, rigiditeit, en verminderde posturale reacties), dystonie, cognitieve achteruitgang, neuropsychiatrische (geestelijke stoornis als gevolg van ziekte in het zenuwstelsel) veranderingen, en een initiële dramatische reactie op dopaminerge (levodopa) behandeling, gevolgd door de vroege ontwikkeling van dyskinesie (verminderde vrijwillige bewegingen en de aanwezigheid van onwillekeurige bewegingen).

Andere gemeenschappelijke kenmerken zijn dysartrie (moeite met het uitspreken van woorden), autonome betrokkenheid en milde cerebrale atrofie.

 

Behandeling

Behandeling met dopaminerge middelen kunnen geprobeerd worden. Een psychiater kan geraadpleegd worden om de neuropsychiatrische symptomen te behandelen. Een fysieke therapie evaluatie kan helpen bij problemen met de houding en het lopen. Ergotherapie kan helpen de persoon activiteiten van het dagelijks leven uit te kunnen blijven voeren. Periodieke controle van het zicht en gehoor kan nodig zijn. Om secundaire complicaties te voorkomen: Start fysiotherapie en orthopedische behandeling vroeg om breuken te helpen voorkomen naarmate de ziekte zich vordert.